Categoriearchief: Blog

Kerstdromen te koop

Ergens, in het vroegst van december, passeerde ik op mijn doortocht naar de winkel, een ogenschijnlijk gewoon bordje langs de kant van de vertrouwde weg. Ware het niet dat ik toch even stil moest staan om niet één, maar twee keer te lezen wat er op dit bordje op geschreven stond. Maar mijn ogen bedrogen mij niet. `Kerstdromen te koop´ stond er. Misschien was het een taalfout. Al was er bij het huis waar het bordje stond ook geen boom te bekennen.
Mijn nieuwsgierigheid gebood mij aan te bellen (en als u wat minder nieuwsgierig van aard bent, mag u op dit punt afhaken en het verhaal bij de schrijver laten). De deur ging open. Een lange, hoogblonde dame in een roze huispak wierp een korte blik op mij en riep naar achteren: “Theo… Weer iemand aan de deur voor je kerstdromen. Of je effe wilt komen!”
Ze gooide haar sigaret nog gauw even naast me naar buiten, sneerde een kortaf  “Momentje, hij komt zo” en de deur ging weer dicht. Ik keek nog even naar de peuk aan mijn voeten en de deur was alweer open. “Zozo”, zei de man, die vast Theo moest heten, terwijl hij me even goed in zich opnam. “Dus u wilde een kerstdroom?”
“Nou, eigenlijk zag ik dat bordje en ik dacht – laat ik eens vragen wat ermee bedoeld wordt”, zei ik wat onzeker. De man keek me nu indringend over zijn bril aan. “Het is simpel. Of je komt voor een kerstdroom. Of je gaat weer. Mijn tijd is te kostbaar om te verspillen aan mensen die alleen even komen kijken. Ik ben gvd geen museum. Dus zeg het maar.” Lichtelijk geïntimideerd zei ik “Goed dan, ik wil een kerstdroom.” De man stapte in de deuropening opzij en gebaarde met een bijna galante zwaai van zijn hand dat ik naar binnen mocht komen.
We liepen samen naar de achterkamer, waar hij de gordijnen sloot en hij begon te vertellen dat hij dit jaar echt topkwaliteit dromen had en toonde me hierbij trots een plank vol oude sigarenkistjes. Het was nog niet zo makkelijk om aan goede kerstdromen te komen, vertelde hij. Vorig jaar had hij nog zo zijn best gedaan maar de dromen waren allemaal bedorven nog voor ze in zijn winkel aangekomen waren. En hij had ze bij bestelling al betaald, dus dat was een grote strop geweest. Daarom was hij dit jaar al vroeg begonnen met het zoeken naar een nieuwe leverancier. Ik besloot me zo zakelijk mogelijk op te stellen na dit relaas en vroeg waar hij zijn inkoop dan gedaan had. Dat ging hij mij niet aan zijn neus hangen sneerde hij toen, terwijl zijn buik een beetje meer begon te bollen nu hij zijn rug rechtte. Maar hij verzekerde me dat die gast maar aan een paar mensen met een goede referentie leverde om zijn eigen reputatie hoog te kunnen houden.
“U bedoelt de kerstman?” vroeg ik. Hij lachte me uit en zei: “Dit is gewoon harde handel. De kerstman hebben we uit de handelsonderneming gegooid, want die vent heeft ons al een paar keer in een faillissement gestort. Deelt gewoon alles uit. Zit nu in de schuldsanering, slaapt in zijn slee. Nee meisje… die tijd is geweest. Maar kom. Laten we eens kijken wat je voor kerstdroom zou willen kopen. Heb je al een idee?”
Dat had ik niet gelijk en hij liet me even denken, terwijl hij de doosjes met dromen nog een keer oppoetste. “Kijk”, zei hij. “Gisteren kwam iemand die wilde een kerstdroom waarin het weer goed kwam met zijn vrouw. Ik zei hem dat het wel heel zijn trots zou kosten. Daar had hij in eerste instantie moeite mee. Maar weet je, iedereen die hier een droom wil kopen krijgt 24 uur bedenktijd voor hij de droom op kan halen. En net wat ik dacht: hij kwam op het laatste moment.  Wilde het toch op tijd in huis hebben, omdat zo´n droom wel een paar weken nodig heeft om uit te komen. En kerst staat al voor de deur.” Het duizelde me even. Begreep ik dit nu goed? Had ik te maken met een waanzinnige of was ik al zo volwassen en verpest om niet meer in wonderhandel te geloven? En kon het kwaad om deze tijd en plaats het voordeel van de twijfel te geven?
Wat zou ik willen. Wat zou de ultieme kerstdroom zijn? Ik opperde een suggestie. “Verkoopt u ook een kerstdroom met wereldvrede?” Hij zuchtte en zei: “De laatste keer dat ik die verkocht, kostte dat iemand zijn leven. En weet je, die droom zelf is best zwaar en mooi. Maar als deze droom uitkomt, duurt die wereldvrede effectief maar anderhalve minuut. Dus of dat nu zijn leven waard was? Wie zal het zeggen. Wereldvrede is het allerduurste wat er is. Omdat het zo moeilijk te vinden is. Zo´n aardig kind als jij zou toch zeker iets eenvoudigs kunnen wensen. Je bent tenslotte ook voor het eerst hier. Je kunt het ook opbouwen. Ik weet dat het heel aantrekkelijk is om impulsief wat te kopen hier. Het is ook eersteklas kwaliteit, dus ik snap het goed. Maar het voelt niet goed om hier nu te lang met jou te staan. Slaap er nog eens een nachtje over. Kom morgen maar terug als je iets hebt gekozen wat bij je maat past. Ik zeg het niet graag en ben nu dief van eigen beurs, maar ik wil je toch vragen om nu te gaan. Het voelt gewoon niet goed.”
Beduusd liet ik me weer naar buiten begeleiden en ging naar huis, waar ik zonder avondeten aankwam. En zonder kerstdroom. Ik probeerde het mijn man uit te leggen en hij beloofde de volgende dag met me mee te gaan, zodat ik mijn gelijk kon bewijzen. En zo vertrokken we de volgende dag op mijn aandringen extra vroeg. Vanuit de auto zag ik in de verte het bordje al staan. “Daar is het! Zie je wel?”, zei ik opgelucht tegen mijn man. Dichterbij gekomen draaide hij het raampje open en las hardop `Kerstbomen te koop´, terwijl hij  met een zucht naar de grote partij nordmansparren langs de gevel wees.
Ik verwenste Theo en wilde dat ik hem nooit had ontmoet. Nu werd ik immers voor gek verklaard. We reden zwijgend door. In de achteruitkijkspiegel zag ik nog net een glimp van de grijns van Theo, die zelf een dun sigarendoosje onder zijn arm geklemd hield, voor hij in het niets oploste.

Zoete broodjes

Lees dit en beschouw het woord ‘brood’ als metafoor voor ‘kunst.’  Ik heb zo op mijn manier een realiteit in dit vak beschreven die ik toch even met een knipoog in begrijpelijke taal onder woorden wil brengen:

A: ‘Bedankt dat je op mijn uitnodiging bent ingegaan. Het zit namelijk zo:
Ik wil graag tien broden van jou, want ik heb gehoord dat jij goed brood hebt.’

B: ‘Bedankt. Dat is fijn om te horen. Ik ben blij als mensen genieten van mijn brood.’

A: ‘Ik wil het heel graag hebben, maar kan je er niets voor geven.
Als we nu eens jouw brood wat bekendheid geven door het gratis uit te delen.’

B: ‘Nou, ik heb mijn vorige bakkerij al verloren omdat ik het meeste brood gratis heb weggegeven. Dus ik mag er toch aan blijven denken dat ik ook brood verkoop.’

A: ‘Ja, maar ik ben mijn geld al kwijt aan de worst van de slager. Dus je snapt dat dat geen optie is. Maar..je brood zal wel veel bekendheid krijgen. Je moet het dan wel zelf komen uitdelen.’

B: ‘Hm… Dat kost me dan weer tijd. In deze tijd kan ik geen brood maken.’

A: ‘Luister, het kost mij ook tijd en geld – nu al om met jou om tafel te zitten. Maar ik gun jouw brood alle aandacht. Daarom organiseer ik de Dag van het Brood. Mijn belang is dat er goed brood komt, maar verder verdien ik er niks aan. Bovendien betaal ik degene die jou meehelpt het brood uit te delen ook al fors. Én ik moet ook nog boter inkopen en jam, dus ik vind dat je best zelf ook mag investeren. Het is tenslotte jouw brood!’

B: ‘Ik wil er toch even over nadenken. Gemiddeld geef ik per week namelijk al vijftien broden weg omdat ik hart voor mijn brood heb. En ook voor initiatieven die de voeding zo onder de aandacht willen brengen op plaatsen waar weinig brood is.’

B: ‘Als je nu toch eens gewoon dat brood geeft met het risico op een ongewisse uitkomst. Maar ik wil wel snel weten of je het doet want ik heb het initiatief met de worst van de slager ook al in mijn nieuwsbrief opgenomen en die wordt morgen gedrukt. Zo’n nieuwsbrief kost mij ook geld.
Wil je je brood nu gratis komen uitdelen of niet? We maken er ook een leuke foto van. Vind je dat niet leuk? Is toch hartstikke leuk.’

A: ‘Zeker. Klinkt leuk…’

B: ‘Nou, dus je komt met het brood?’

A: ‘…’

Langzaam verdween wat oorlog uit zijn ogen

Hij was al eens langs mijn huis gelopen. Hij is 88 jaar en maakt wel vaker een praatje. ‘Wat een geschenk toch’, zei hij toen hij voor de tweede keer voorbij mijn tuinhek liep en wees naar de heldere hemel. Ik liep bevestigend naar het tuinhek.

‘Weet u,’ zei hij. ‘Ik ben al 88… De dokter heeft me vroeger gezegd dat ik wel 100 werd. Toen ik in Nederlands-Indië in het hospitaal lag. Vier maanden, ik had TBC. Ja, dat was wat. Veel gezien hoor… Vreselijk, die oorlog. Het interesseert u vast niet, maar goed. Kunt u zich voorstellen dat vier jongens, die nog nooit meer hadden gezien als Haelen-Noord en nog nooit met een meisje geweest wat er daar gebeurde? We waren gefrustreerd hè. Tja, die jongens uit Amsterdam hadden wel al meisjes gehad.’

Hij zweeg even en keek opzij en sloeg zijn ogen neer terwijl hij verder vertelde. ‘We konden ook zo weinig doen. Die Duitsers waren er ook al. En als er geschoten werd vanuit een hut moest je inspecteren waar het vandaan kwam. Mijn maat en ik liepen naar de hut waar vanaf geschoten werd en kwamen binnen bij een vrouwtje. Mijn maat wilde haar, maar ik zei tegen hem: “Kijk, die doos daar in de hoek”, en mijn maat was gelijk afgeleid.

Het was een Bata-schoenendoos, u kent ze wel. Het vrouwtje keek me in een flits aan en griste de doos vliegensvlug uit de hoek en opende deze. De doos zat vol met ringen, zilver, kettingen. “Van Nollie, van Nollie”, zei ze  terwijl ze de doos verleidelijk voor onze neus omhoog hield. Ik had alles kunnen meenemen in m’n zakken. Dat waren grote zakken die we hadden in die legerjassen.’ Hij liet me in handgebaren zien hoe groot de zakken wel niet waren.
´Het was natuurlijk niet goed wat ik toen deed. Ik had het aan de commandant moeten melden. Maar ik had teveel gezien. We waren pas 21 hè… En Nollie was al afgevoerd. Dat wist ik. Ik zei tegen haar in het beetje Maleis dat ik kende – ja, nu niet meer hoor – dat ze het moest verstoppen en als Nollie niet terugkwam dat ze een nieuw leven moest beginnen.´
´Mijn maat heb ik naar buiten getrokken. En daarna werd ik zo ziek… Vreemd hè. Vier maanden doodziek. U wordt wel honderd zei de dokter.’ Hij lachte. ‘Toen ik terugkwam hadden mijn vrouw en ik het niet makkelijk. Maar ik studeerde toen nog een paar jaar en haalde mijn papieren. Werkte als ambtenaar. Heerlijk, die rust. Niemand sprak over wat hij had meegemaakt. Dat deed je niet. Ook niet met mijn vrouw. Ze is lief, mijn vrouw. We hebben het nog steeds goed samen. Nu kom. Ik moet eens doorlopen, zo goed en kwaad als dat gaat’, en hij wees met zijn ogen naar zijn krukken. ‘Ze zal zich wel afvragen waar ik blijf. Loopt u nog een stukje mee?’
Ik opende het hek dat tot dat moment tussen ons gestaan had en liep stil nog een stukje mee af. ‘Zou het zo goed zijn, denk u?’, vroeg hij me toch ineens zijdelings. Ik wist even niet zo goed wat ik moest zeggen. Toen zei ik hem dat het zo goed was en dat de hemel hem vandaag niet voor niets zo’n mooie dag geschonken had. Hij sloeg zijn ogen even omhoog naar de zon en glimlachte zacht.
D.D.
(Zie HIER voor de bron)

Hoe Mandela alsnog Roermond bezocht

Het was al wat later en ik wilde net naar bed gaan tot ik ineens wat door mijn tuindeuren zag komen. Het was een wit licht en eenmaal dichterbij gekomen zag ik dan toch dat het Nelson was.

“Wat doe jij hier? Ik had je bijna niet herkend”, zei ik hem. Hij verontschuldigde direct voor zijn voorkomen: “Tja, valt mij ook een beetje tegen dat ik helemaal wit rondwaar nu. God zou me op z’n minst nog een beetje ’n sepia-schijn hebben mogen geven, trots als ik ben op mijn afkomst.”

Dat snapte ik wel. Nelson zei dat hij even een pauze wilde nu hij vijf dagen lang tussen hemel en aarde nog wat mensen moest bezoeken en had voor deze pauze per abuis mijn woonstee uitgekozen. “Neem plaats”, zei ik hem en bood hem een stoel aan.

Hij zweefde er dwars doorheen en haalde zijn lichtgevende schouderpartij op. Het zweven was niet zo vermoeiend als het leek, zo verzekerde hij mij, dus hij bleef gewoon wat langer hangen.
Hij leek wel verlegen om een praatje, dus nodigde ik hem uit om te vertellen over zijn gevangenschap op Robbeneiland. Of hij daar geen last meer van had. “Nu zeker niet meer, zei hij. Maar ook in mijn leven was het de uitdaging om de gevangenschap te leren transformeren naar een leerschool. De beste leerschool die het leven mij geboden heeft om de vrede in mezelf te vinden en deze daarna ook uit te dragen. Ik ging namelijk de dialoog aan met mijn bewakers en voelde evenveel compassie met hen als met mijn medegevangenen. Immers, een mens die een ander mens van zijn vrijheid berooft, is een gevangene van de haat, opgesloten achter de tralies van vooroordelen en kleingeestigheid.”

Ik zweeg even. Er leek een telefoon te rinkelen en ik zag Nelson’s hand naar zijn oor gaan. Hij leek te praten op een privélijn van de hemel zelf.
“Ja, of je even door wilt geven dat er toch wat sepia… Wat zeg je? Ja, ik weet dat ik niet zoveel tijd meer heb. Maar ik was nog nooit in Roermond geweest en ook hier kan men wel wat vrede gebruiken… Ja…ik snap het… Goed, ik zal het kort houden… Geef me nog vijf minuten hier en liefst nog een beetje sepia. Hoezo daar ga jij niet over? Wat bedoel je met nog niet eerder een kleurverzoek gehad? Regel ’t maar. Met mijn staat van dienst mag er toch op zijn minst een beetje sepia… Oké, oké. We hebben het er nog wel over als ik aankom. En nee, ik wil niet met Gijsen spreken.”

Hij zweefde nu weer wat naderbij en zei “Ja sorry. Ik word om de vijf minuten gebeld door de afdeling Hemeltransport. Waar was ik gebleven?”
Ik hield mijn gezicht in de plooi en zei: “Bij Robbeneiland”
“Juist ja… Daar heb ik genoeg over geschreven. Lees mijn boek De lange weg naar vrijheid maar. Haha, die weg blijkt 94 jaar lang. Maar wat ik je ook nog wil vertellen is dat er geen kwaad is dat altijd duurt en evenmin geen goed dat nooit eindigt. Een leven lang voor vrede gevochten en ik ben nog niet helemaal heengegaan of nog niet begraven en men ruziet al over waar ik begraven word en wie mijn vermogen krijgen moet. Misschien dat jij nog eens kunt uitzoeken waarom vrede niet beklijft.” Ik beloofde hem mijn best te doen. Hij lichtte nog even wat meer op, zichtbaar blij met mijn belofte.

“Ik moet nu gaan”, zei hij. “Nog wat mensen bezoeken. Misschien in hun slaap nog wat boodschappen influisteren.”
“Mag ik jou dan ook nog om een gunst vragen?”, vroeg ik.
Dat mocht ik, en hij beloofde nog een extra bezoekje af te leggen. Geert Wilders zal misschien wat verlicht wakker worden en zich afvragen waarom hij toch het eerste uur van de dag in sepia beziet.

D.D.

(Zie HIER voor bron)