Auteursarchief: Danny Danker

Glimpgesprek met het Oude Tijdperk

Het was ergens in de vorige week dat ik per toeval het Oude Tijdperk tegen het lijf liep toen ik die tuin in ging. Hij was niet gelijk herkenbaar, daar hij zijn oude huid nog maar losjes om zijn schubbige lichaam had zitten, waardoor de kleuren reeds vervaagd waren. Hij was niet te beroerd zich te excuseren en gelijk ook voor te stellen. Het was niet zijn intentie me te laten schrikken, maar hij wist dat de meest gevoelige zielen zonder een teken van afscheid lastig tot verwerken komen. En ook hij had nog wel behoefte aan een praatje, nu hij het tijdelijke met het eeuwige zou gaan verwisselen.
Quit pro quo, dus we hebben inderdaad een tijdje gesproken over wat er allemaal gaande is in de wereld – en hij was toch ook wel opgelucht dat zijn werk erop zat. ’ Wat stoort je nu het meeste?’ vroeg ik. Hij zei: ‘Ik ben een onderdeel van de tijd. Mij stoort niets. Ik draag wat het leven geeft, in volledige acceptatie. ‘ Ik baalde een beetje. Zo’n voldragen oud tijdperk kon immers niet anders dan een volleerd zenmeester zijn.
Ik dacht aan de onveiligheid en het verdriet dat overal op deze aardkloot toch gedeeld en gevoeld wordt, om niet te spreken van al die krantenberichten die de gruweleffecten vertegenwoordigen, de opgetekende getuigenissen van een virus dat als een storm over de mensheid heen raast. Ik kon niet geloven dat zo’n vorig tijdperk zich niet een heel klein beetje betrokken voelde bij deze realiteit, waarvan hij toch ook een wezenlijk onderdeel was. Of misschien wilde ik het niet geloven.
Hij leek mijn gedachten te verstaan en zei: “Nou, weet je. Ik geef toe – het lastigste was toch wel het moment waarop iedereen dacht dat het allemaal wel weer net zo snel over zou waaien als het gekomen was. Dat alles uiteindelijk wel weer terug bij het oude zou komen. Nu duidelijk begint te worden dat dit niet zal gebeuren, zijn de angsten die gepaard gaat met de gezondheidsrisico’s die we lopen en de ongewisse toekomst toch wel lastig te dragen op mijn leeftijd. Het haalt bovendien alle aandacht weg van mijn vertrek en van alles wat ik vertegenwoordigde als Tijdperk”.
Met het uitspreken van deze woorden verried zijn gelaat een wat verongelijkte blik. Heel even, tot hij zijn lange blauwe baard in lijn legde met de knoopjes van zijn koperkleurige mantel. “Maar”, vervolgde hij, “Ik kan zo nog wel lastigere momenten bedenken. Wel honderd. Duizend zelfs. De mens zou bovendien het virus niet moeten vrezen, maar zichzelf. Het is immers zijn eigen handelen dat tot het vrijkomen van dit virus heeft geleid. Pas als deze lessen geleerd zijn, hoef je ook een volgend virus niet te vrezen. Wij Tijdperken kunnen hierin ook een leermeester zijn, maar alleen voor hen die willen horen en dapper genoeg zijn hun handelen aan te passen aan het ritme van ons aller thuis, de Aarde.”
“Waarom laat je me trouwens niet los?”, vroeg hij mij ineens ietwat kribbig, net toen ik volledig aan zijn lippen hing. “Laat alles los. Jij en ik hebben niets meer samen te scheppen. Je hoeft alleen nog te kijken naar de wonderen van de natuur en verder te groeien in het bewustzijn dat jij zelf een wonder bent. Dat je uit deze natuur voortgekomen en er in geworteld bent. Dat het aardse leven verantwoordelijkheden met zich meebrengt die verder gaan dan het vervullen van egocentrische behoeften.
Doe iets waar je nooit tijd voor nam in het oude tijdperk. Voor jezelf én deze nieuwe wereld. Schep een omgeving waarin het wonder zich kan manifesteren. Zaai gewassen in je tuin, laat ze groeien en deel ze na het oogsten met de energie van je toewijding en het enthousiasme waarmee ze gerijpt zijn. Gebruik je talent om diepere betekenis te geven aan het leven dat je leeft. En deel dit talent zodat ook anderen zich geïnspireerd weten hún talent te delen.
Wist je trouwens dat dit Nieuwe tijdperk zal intreden in het Chinese jaar van de Rat? Volgens de legende was de Rat de eerste die verscheen toen Boeddha alle dieren bij zich riep. De Rat is altijd enthousiast en nieuwsgierig en enorm opportunistisch. Het jaar van de Rat is niet alleen het eerste jaar van een nieuwe cyclus, het is ook de start van vernieuwing en vooruitgang. Ratjaren zijn pioniersjaren, op allerlei vlak kunnen we dus vernieuwing verwachten die allerlei aspecten van ons leven zullen beïnvloeden. Zo vormt het jaar 2020 een drempel tussen mij – het oude, en het nieuwe tijdperk. Bepaalde niet al te frisse zaken zullen aan het licht komen en in elkaar storten als kaartenhuisjes. Dit nog gezegd hebbende: ik word verwacht. Als je me wilt excuseren nu…”
Het oude tijdperk schoot zonder mijn antwoord af te wachten als een pijl omhoog en nam zijn plaats in tussen de andere sterren. Daar stond ik dan. Alleen in mijn tuin, waar de nieuwe aardse lente aan het uitbarsten was. Voor mijn voeten de afgelegde huid, waarvan het licht van een enkele schub nog net uitdoofde. Ik keek nog eens omhoog. Wat een wonderbaarlijk schouwspel. Ik kon nog altijd niet geloven dat de meeste sterren terwijl ze zó mooi fonkelden, allang uitgedoofd waren. Ik was dan ook geen held in loslaten, net als in de oude tijd. ‘Nog niet…’, klonk een zachte Nieuwe stem in de wind, en streelde zo zachtjes langs mijn wang…

Kerstdromen te koop

Ergens, in het vroegst van december, passeerde ik op mijn doortocht naar de winkel, een ogenschijnlijk gewoon bordje langs de kant van de vertrouwde weg. Ware het niet dat ik toch even stil moest staan om niet één, maar twee keer te lezen wat er op dit bordje op geschreven stond. Maar mijn ogen bedrogen mij niet. `Kerstdromen te koop´ stond er. Misschien was het een taalfout. Al was er bij het huis waar het bordje stond ook geen boom te bekennen.
Mijn nieuwsgierigheid gebood mij aan te bellen (en als u wat minder nieuwsgierig van aard bent, mag u op dit punt afhaken en het verhaal bij de schrijver laten). De deur ging open. Een lange, hoogblonde dame in een roze huispak wierp een korte blik op mij en riep naar achteren: “Theo… Weer iemand aan de deur voor je kerstdromen. Of je effe wilt komen!”
Ze gooide haar sigaret nog gauw even naast me naar buiten, sneerde een kortaf  “Momentje, hij komt zo” en de deur ging weer dicht. Ik keek nog even naar de peuk aan mijn voeten en de deur was alweer open. “Zozo”, zei de man, die vast Theo moest heten, terwijl hij me even goed in zich opnam. “Dus u wilde een kerstdroom?”
“Nou, eigenlijk zag ik dat bordje en ik dacht – laat ik eens vragen wat ermee bedoeld wordt”, zei ik wat onzeker. De man keek me nu indringend over zijn bril aan. “Het is simpel. Of je komt voor een kerstdroom. Of je gaat weer. Mijn tijd is te kostbaar om te verspillen aan mensen die alleen even komen kijken. Ik ben gvd geen museum. Dus zeg het maar.” Lichtelijk geïntimideerd zei ik “Goed dan, ik wil een kerstdroom.” De man stapte in de deuropening opzij en gebaarde met een bijna galante zwaai van zijn hand dat ik naar binnen mocht komen.
We liepen samen naar de achterkamer, waar hij de gordijnen sloot en hij begon te vertellen dat hij dit jaar echt topkwaliteit dromen had en toonde me hierbij trots een plank vol oude sigarenkistjes. Het was nog niet zo makkelijk om aan goede kerstdromen te komen, vertelde hij. Vorig jaar had hij nog zo zijn best gedaan maar de dromen waren allemaal bedorven nog voor ze in zijn winkel aangekomen waren. En hij had ze bij bestelling al betaald, dus dat was een grote strop geweest. Daarom was hij dit jaar al vroeg begonnen met het zoeken naar een nieuwe leverancier. Ik besloot me zo zakelijk mogelijk op te stellen na dit relaas en vroeg waar hij zijn inkoop dan gedaan had. Dat ging hij mij niet aan zijn neus hangen sneerde hij toen, terwijl zijn buik een beetje meer begon te bollen nu hij zijn rug rechtte. Maar hij verzekerde me dat die gast maar aan een paar mensen met een goede referentie leverde om zijn eigen reputatie hoog te kunnen houden.
“U bedoelt de kerstman?” vroeg ik. Hij lachte me uit en zei: “Dit is gewoon harde handel. De kerstman hebben we uit de handelsonderneming gegooid, want die vent heeft ons al een paar keer in een faillissement gestort. Deelt gewoon alles uit. Zit nu in de schuldsanering, slaapt in zijn slee. Nee meisje… die tijd is geweest. Maar kom. Laten we eens kijken wat je voor kerstdroom zou willen kopen. Heb je al een idee?”
Dat had ik niet gelijk en hij liet me even denken, terwijl hij de doosjes met dromen nog een keer oppoetste. “Kijk”, zei hij. “Gisteren kwam iemand die wilde een kerstdroom waarin het weer goed kwam met zijn vrouw. Ik zei hem dat het wel heel zijn trots zou kosten. Daar had hij in eerste instantie moeite mee. Maar weet je, iedereen die hier een droom wil kopen krijgt 24 uur bedenktijd voor hij de droom op kan halen. En net wat ik dacht: hij kwam op het laatste moment.  Wilde het toch op tijd in huis hebben, omdat zo´n droom wel een paar weken nodig heeft om uit te komen. En kerst staat al voor de deur.” Het duizelde me even. Begreep ik dit nu goed? Had ik te maken met een waanzinnige of was ik al zo volwassen en verpest om niet meer in wonderhandel te geloven? En kon het kwaad om deze tijd en plaats het voordeel van de twijfel te geven?
Wat zou ik willen. Wat zou de ultieme kerstdroom zijn? Ik opperde een suggestie. “Verkoopt u ook een kerstdroom met wereldvrede?” Hij zuchtte en zei: “De laatste keer dat ik die verkocht, kostte dat iemand zijn leven. En weet je, die droom zelf is best zwaar en mooi. Maar als deze droom uitkomt, duurt die wereldvrede effectief maar anderhalve minuut. Dus of dat nu zijn leven waard was? Wie zal het zeggen. Wereldvrede is het allerduurste wat er is. Omdat het zo moeilijk te vinden is. Zo´n aardig kind als jij zou toch zeker iets eenvoudigs kunnen wensen. Je bent tenslotte ook voor het eerst hier. Je kunt het ook opbouwen. Ik weet dat het heel aantrekkelijk is om impulsief wat te kopen hier. Het is ook eersteklas kwaliteit, dus ik snap het goed. Maar het voelt niet goed om hier nu te lang met jou te staan. Slaap er nog eens een nachtje over. Kom morgen maar terug als je iets hebt gekozen wat bij je maat past. Ik zeg het niet graag en ben nu dief van eigen beurs, maar ik wil je toch vragen om nu te gaan. Het voelt gewoon niet goed.”
Beduusd liet ik me weer naar buiten begeleiden en ging naar huis, waar ik zonder avondeten aankwam. En zonder kerstdroom. Ik probeerde het mijn man uit te leggen en hij beloofde de volgende dag met me mee te gaan, zodat ik mijn gelijk kon bewijzen. En zo vertrokken we de volgende dag op mijn aandringen extra vroeg. Vanuit de auto zag ik in de verte het bordje al staan. “Daar is het! Zie je wel?”, zei ik opgelucht tegen mijn man. Dichterbij gekomen draaide hij het raampje open en las hardop `Kerstbomen te koop´, terwijl hij  met een zucht naar de grote partij nordmansparren langs de gevel wees.
Ik verwenste Theo en wilde dat ik hem nooit had ontmoet. Nu werd ik immers voor gek verklaard. We reden zwijgend door. In de achteruitkijkspiegel zag ik nog net een glimp van de grijns van Theo, die zelf een dun sigarendoosje onder zijn arm geklemd hield, voor hij in het niets oploste.

Hij was niet al te groot, niet al te klein en ook niet opvallend. Eenvoudig, zelfs in zijn voorkomen. Het meest opvallend nog de lijnen in zijn gelaat- als duizend kleine paadjes, met nog kleinere zijwegen op een levende landkaart. En iedere lijn doorkruiste zachtjes weer een andere. Ik zag hem vanuit een ooghoek in mijn deuropening staan en wel net op het moment dat ik mijn jas al half aan had om de deur uit te gaan. “Heb je even tijd voor mij?’ vroeg hij vriendelijk. “Uh, wie bent u? Ik wilde eigenlijk…”

Hij onderbrak mijn gemurmel en zei: “Ik ben het Geduld en ik heb de indruk dat ik iets voor je kan betekenen.” Het voelde bijna zo bezwaarlijk als geen tijd nemen om naar het toilet te gaan. En met die gedachte gaf ik het Geduld de ruimte en ook maar die kop koffie die hij uiterst beheerst aannam. Ik verwachtte dat hij iets zou zeggen, maar hij zat daar maar en glimlachte af en toe – naar mij of naar iets wat ik niet kon zien, dat weet ik niet. Minuten verstreken en ik werd wat nerveus. Hij merkte het gelijk op en zei dat hij me aan het plagen was. Geduld bleek dus een pestkop met een innemende glimlach.

“Heb je niets beters te doen vandaag dan mij te plagen”, vroeg ik wat utdagend. “Nou, om me even op mijn vriend Eerlijkheid te beroepen, op dit moment niet. Er wordt niet meer zoveel beroep op mij gedaan vandaag de dag en ik voel me wel wat ondergewaardeerd. Vroeger was alles beter. Toen wist men nog wat men aan mij had. Maar tegenwoordig ben ik zoekende naar een manier om deze mens van nu weer te bereiken. In het collectief overheerst de waarde van de tijdwinst, dus mijn hoop is gevestigd op de individuele mens. Maar dat vergt wat Geduld, zogezegd.

Vroeger had ik het makkelijker, werd ik gewoon van hogerhand opgelegd. Tegenwoordig is het anders. Moet men eerst gaten slaan in de tijd door zich te vergissen in de zogenaamde kortere wegen. Zo zijn er al heel wat gaten in de tijd geslagen die wetmatig op iemands toekomstig pad gelegd worden. En dan valt zo iemand dus in zijn eigen tijdsgat. Het is als een soort kosmisch ganzenbord: het spel begint, men komt vooruit, soms te snel in gretigheid dan komt men al gokkend op geluk automatisch in de put. Vervolgens moet men gefrustreerd weer terug naar start, en zo gaat er in het geen beroep doen op mij veel tijd, maar ook veel ruimte voor mooie dingen verloren.” Ik probeerde te volgen waarom bijvoorbeeld kiezen voor een snellere maaltijd, de Gamma of dat orgasme tussendoor vergeleken werd met Ganzenbord.

Hij leek mijn gedachte te raden en zei: “Het heeft met intensiteit te maken. Alles, inclusief de ziel zelf, heeft behoefte aan natuurlijke intensiteit. Die kun je niet onnatuurlijk opwekken. Doe je dat toch, dan vervlakt alles automatisch. Bovendien doe je je omgeving en jezelf onrecht aan. Niets en niemand kan worden waar het oorspronkelijk voor bedoeld is. Geen mens ontdekt meer wie hij in wezen is en identificeert zich enkel nog in gemakkelijk gekozen rollen, omdat niemand meer de tijd neemt om erachter te komen wie hij is. Waarom denk je dat het nu overal zo’n zootje is? Wat heb je aan andere capaciteiten als je geen Geduld aan je zijde hebt? Ik ben belangrijker in mijn eenvoud dan menig andere actuele kracht.”

Ik leek iets van boosheid te bespeuren en vroeg me af of het Geduld het ook wel eens van zichzelf kon verliezen. Ook deze gedachte ontging hem niet. “Nee”, zo vervolgde hij zuchtend. “Dit is geen boosheid. Jouw ego accepteert de diepte van mijn woorden niet. Je neemt te snel iets aan en zie: er ontstaat al onbegrip en afstand.”

Toegegeven, op dit moment voelde ik mij gekrenkt en voor dom versleten. Geduldig als hij was, zei hij: “Je kunt nog zo wijs zijn, maar als je geen geduld bezit heb je niets. Om het geduld weer te kunnen omarmen, moet je je ontdoen van persoonlijke negatieve ervaringen en van wat jij verward hebt met het beoefenen van geduld. Ieder tevergeefs wachten was niet het falen van mijn aanwezigheid. Dat was je eigen blindheid voor de gaten die je al eerder in de tijd geslagen had. En zelfs met dit gegeven mag je opnieuw beginnen niet als een falen zien, maar als iets dat je vieren kunt. Als een toast die je vol dankbaarheid en vreugde uitbrengt ‘Op Nieuw’. Laat dan vervolgens nog wat meer de controle los op de vorm, wacht met het geduld aan je zijde hoe zich in verbrede waarneming paden ontvouwen en samen kunnen komen. Zónder mij geen zaden die optimaal tot bloei en vervolgens in het licht kunnen komen.”

Zo ineens als hij gekomen was, was hij ook weer weg. Maar niet helemaal, want het voelde alsof er zojust een zaadje opnieuw in mijn hart was geplant. En ík… zou er goed voor zorgen.

Zoete broodjes

Lees dit en beschouw het woord ‘brood’ als metafoor voor ‘kunst.’  Ik heb zo op mijn manier een realiteit in dit vak beschreven die ik toch even met een knipoog in begrijpelijke taal onder woorden wil brengen:

A: ‘Bedankt dat je op mijn uitnodiging bent ingegaan. Het zit namelijk zo:
Ik wil graag tien broden van jou, want ik heb gehoord dat jij goed brood hebt.’

B: ‘Bedankt. Dat is fijn om te horen. Ik ben blij als mensen genieten van mijn brood.’

A: ‘Ik wil het heel graag hebben, maar kan je er niets voor geven.
Als we nu eens jouw brood wat bekendheid geven door het gratis uit te delen.’

B: ‘Nou, ik heb mijn vorige bakkerij al verloren omdat ik het meeste brood gratis heb weggegeven. Dus ik mag er toch aan blijven denken dat ik ook brood verkoop.’

A: ‘Ja, maar ik ben mijn geld al kwijt aan de worst van de slager. Dus je snapt dat dat geen optie is. Maar..je brood zal wel veel bekendheid krijgen. Je moet het dan wel zelf komen uitdelen.’

B: ‘Hm… Dat kost me dan weer tijd. In deze tijd kan ik geen brood maken.’

A: ‘Luister, het kost mij ook tijd en geld – nu al om met jou om tafel te zitten. Maar ik gun jouw brood alle aandacht. Daarom organiseer ik de Dag van het Brood. Mijn belang is dat er goed brood komt, maar verder verdien ik er niks aan. Bovendien betaal ik degene die jou meehelpt het brood uit te delen ook al fors. Én ik moet ook nog boter inkopen en jam, dus ik vind dat je best zelf ook mag investeren. Het is tenslotte jouw brood!’

B: ‘Ik wil er toch even over nadenken. Gemiddeld geef ik per week namelijk al vijftien broden weg omdat ik hart voor mijn brood heb. En ook voor initiatieven die de voeding zo onder de aandacht willen brengen op plaatsen waar weinig brood is.’

B: ‘Als je nu toch eens gewoon dat brood geeft met het risico op een ongewisse uitkomst. Maar ik wil wel snel weten of je het doet want ik heb het initiatief met de worst van de slager ook al in mijn nieuwsbrief opgenomen en die wordt morgen gedrukt. Zo’n nieuwsbrief kost mij ook geld.
Wil je je brood nu gratis komen uitdelen of niet? We maken er ook een leuke foto van. Vind je dat niet leuk? Is toch hartstikke leuk.’

A: ‘Zeker. Klinkt leuk…’

B: ‘Nou, dus je komt met het brood?’

A: ‘…’

Langzaam verdween wat oorlog uit zijn ogen

Hij was al eens langs mijn huis gelopen. Hij is 88 jaar en maakt wel vaker een praatje. ‘Wat een geschenk toch’, zei hij toen hij voor de tweede keer voorbij mijn tuinhek liep en wees naar de heldere hemel. Ik liep bevestigend naar het tuinhek.

‘Weet u,’ zei hij. ‘Ik ben al 88… De dokter heeft me vroeger gezegd dat ik wel 100 werd. Toen ik in Nederlands-Indië in het hospitaal lag. Vier maanden, ik had TBC. Ja, dat was wat. Veel gezien hoor… Vreselijk, die oorlog. Het interesseert u vast niet, maar goed. Kunt u zich voorstellen dat vier jongens, die nog nooit meer hadden gezien als Haelen-Noord en nog nooit met een meisje geweest wat er daar gebeurde? We waren gefrustreerd hè. Tja, die jongens uit Amsterdam hadden wel al meisjes gehad.’

Hij zweeg even en keek opzij en sloeg zijn ogen neer terwijl hij verder vertelde. ‘We konden ook zo weinig doen. Die Duitsers waren er ook al. En als er geschoten werd vanuit een hut moest je inspecteren waar het vandaan kwam. Mijn maat en ik liepen naar de hut waar vanaf geschoten werd en kwamen binnen bij een vrouwtje. Mijn maat wilde haar, maar ik zei tegen hem: “Kijk, die doos daar in de hoek”, en mijn maat was gelijk afgeleid.

Het was een Bata-schoenendoos, u kent ze wel. Het vrouwtje keek me in een flits aan en griste de doos vliegensvlug uit de hoek en opende deze. De doos zat vol met ringen, zilver, kettingen. “Van Nollie, van Nollie”, zei ze  terwijl ze de doos verleidelijk voor onze neus omhoog hield. Ik had alles kunnen meenemen in m’n zakken. Dat waren grote zakken die we hadden in die legerjassen.’ Hij liet me in handgebaren zien hoe groot de zakken wel niet waren.
´Het was natuurlijk niet goed wat ik toen deed. Ik had het aan de commandant moeten melden. Maar ik had teveel gezien. We waren pas 21 hè… En Nollie was al afgevoerd. Dat wist ik. Ik zei tegen haar in het beetje Maleis dat ik kende – ja, nu niet meer hoor – dat ze het moest verstoppen en als Nollie niet terugkwam dat ze een nieuw leven moest beginnen.´
´Mijn maat heb ik naar buiten getrokken. En daarna werd ik zo ziek… Vreemd hè. Vier maanden doodziek. U wordt wel honderd zei de dokter.’ Hij lachte. ‘Toen ik terugkwam hadden mijn vrouw en ik het niet makkelijk. Maar ik studeerde toen nog een paar jaar en haalde mijn papieren. Werkte als ambtenaar. Heerlijk, die rust. Niemand sprak over wat hij had meegemaakt. Dat deed je niet. Ook niet met mijn vrouw. Ze is lief, mijn vrouw. We hebben het nog steeds goed samen. Nu kom. Ik moet eens doorlopen, zo goed en kwaad als dat gaat’, en hij wees met zijn ogen naar zijn krukken. ‘Ze zal zich wel afvragen waar ik blijf. Loopt u nog een stukje mee?’
Ik opende het hek dat tot dat moment tussen ons gestaan had en liep stil nog een stukje mee af. ‘Zou het zo goed zijn, denk u?’, vroeg hij me toch ineens zijdelings. Ik wist even niet zo goed wat ik moest zeggen. Toen zei ik hem dat het zo goed was en dat de hemel hem vandaag niet voor niets zo’n mooie dag geschonken had. Hij sloeg zijn ogen even omhoog naar de zon en glimlachte zacht.
D.D.
(Zie HIER voor de bron)