Langzaam verdween wat oorlog uit zijn ogen

Hij was al eens langs mijn huis gelopen. Hij is 88 jaar en maakt wel vaker een praatje. ‘Wat een geschenk toch’, zei hij toen hij voor de tweede keer voorbij mijn tuinhek liep en wees naar de heldere hemel. Ik liep bevestigend naar het tuinhek.

‘Weet u,’ zei hij. ‘Ik ben al 88… De dokter heeft me vroeger gezegd dat ik wel 100 werd. Toen ik in Nederlands-Indië in het hospitaal lag. Vier maanden, ik had TBC. Ja, dat was wat. Veel gezien hoor… Vreselijk, die oorlog. Het interesseert u vast niet, maar goed. Kunt u zich voorstellen dat vier jongens, die nog nooit meer hadden gezien als Haelen-Noord en nog nooit met een meisje geweest wat er daar gebeurde? We waren gefrustreerd hè. Tja, die jongens uit Amsterdam hadden wel al meisjes gehad.’

Hij zweeg even en keek opzij en sloeg zijn ogen neer terwijl hij verder vertelde. ‘We konden ook zo weinig doen. Die Duitsers waren er ook al. En als er geschoten werd vanuit een hut moest je inspecteren waar het vandaan kwam. Mijn maat en ik liepen naar de hut waar vanaf geschoten werd en kwamen binnen bij een vrouwtje. Mijn maat wilde haar, maar ik zei tegen hem: “Kijk, die doos daar in de hoek”, en mijn maat was gelijk afgeleid.

Het was een Bata-schoenendoos, u kent ze wel. Het vrouwtje keek me in een flits aan en griste de doos vliegensvlug uit de hoek en opende deze. De doos zat vol met ringen, zilver, kettingen. “Van Nollie, van Nollie”, zei ze  terwijl ze de doos verleidelijk voor onze neus omhoog hield. Ik had alles kunnen meenemen in m’n zakken. Dat waren grote zakken die we hadden in die legerjassen.’ Hij liet me in handgebaren zien hoe groot de zakken wel niet waren.
´Het was natuurlijk niet goed wat ik toen deed. Ik had het aan de commandant moeten melden. Maar ik had teveel gezien. We waren pas 21 hè… En Nollie was al afgevoerd. Dat wist ik. Ik zei tegen haar in het beetje Maleis dat ik kende – ja, nu niet meer hoor – dat ze het moest verstoppen en als Nollie niet terugkwam dat ze een nieuw leven moest beginnen.´
´Mijn maat heb ik naar buiten getrokken. En daarna werd ik zo ziek… Vreemd hè. Vier maanden doodziek. U wordt wel honderd zei de dokter.’ Hij lachte. ‘Toen ik terugkwam hadden mijn vrouw en ik het niet makkelijk. Maar ik studeerde toen nog een paar jaar en haalde mijn papieren. Werkte als ambtenaar. Heerlijk, die rust. Niemand sprak over wat hij had meegemaakt. Dat deed je niet. Ook niet met mijn vrouw. Ze is lief, mijn vrouw. We hebben het nog steeds goed samen. Nu kom. Ik moet eens doorlopen, zo goed en kwaad als dat gaat’, en hij wees met zijn ogen naar zijn krukken. ‘Ze zal zich wel afvragen waar ik blijf. Loopt u nog een stukje mee?’
Ik opende het hek dat tot dat moment tussen ons gestaan had en liep stil nog een stukje mee af. ‘Zou het zo goed zijn, denk u?’, vroeg hij me toch ineens zijdelings. Ik wist even niet zo goed wat ik moest zeggen. Toen zei ik hem dat het zo goed was en dat de hemel hem vandaag niet voor niets zo’n mooie dag geschonken had. Hij sloeg zijn ogen even omhoog naar de zon en glimlachte zacht.
D.D.
(Zie HIER voor de bron)